Constantijn Jonker: We waren gek genoeg best dichtbij
In dit artikel:
Constantijn Jonker koestert zijn zilveren medaille van het WK hockey 2014: het enige wereldkampioenschap dat hij ooit speelde en dus persoonlijk bijzonder waardevol. Tegelijkertijd ziet hij het toernooi vooral als een gemiste kans voor Oranje.
Hij herinnert zich dat Nederland stroef begon — de openingswedstrijd tegen Argentinië leverde weinig sparkle op — en dat de ploeg lange tijd worstelde met de druk en spanning van spelen in eigen land. Het toernooi vond plaats in een voetbalstadion, iets wat hem pas echt tot zich doordrong toen zijn zoontje later een fotoboek met beelden terugvond; toen besefte Jonker hoe bijzonder die setting was. De wedstrijdsfeer wekte bij het team verwachtingen, mede ingegeven door herinneringen aan het WK van 1998 toen Nederland goud behaalde.
De halve finale werd ternauwernood met 1-0 gewonnen, maar in de finale tegen Australië liep het volledig mis: na een vroege treffer van Jeroen Hertzberger kwam Nederland niet in controle en verloor uiteindelijk met 6-1. Jonker noemt dat “een gigantisch gemiste kans”: had Oranje een tweede doelpunt gemaakt, verwachtte hij dat het stadion en de ploeg helemaal los zouden gaan, maar de 1-1 kantelde de wedstrijd en zorgde voor een demping in de hele ambiance.
Ondanks de teleurstelling beschouwt Jonker het toernooi als het hoogtepunt van zijn interlandcarrière — dichtbij grote historische prestaties, maar net niet in hetzelfde rijtje als het WK ’98 of de Spelen van 2000. Hij merkt ook op hoe massaal de publieke aandacht was (meer dan een miljoen kijkers bij de finale), al werd die mediahype deels relativiseerd door een groot voetbalgebeuren kort vóór het toernooi. De medaille bewaart hij zorgvuldig; in zijn woorden is tweede van de wereld “echt iets cools”.